Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel XVIII

Aflossing krediethypotheek

Onderdeel van Verordening Terugvordering en Krediethypotheek

Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien jaar. De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandverlening en vindt maandelijks plaats. Als de reden van beëindiging van de bijstandverlening werkaanvaarding is, vangt de aflossing één jaar na beëindiging van de uitkering aan. Betrokkene wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gebracht. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld. Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd Indien na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening. De rente, is de wettelijke rente, verminderd met drie procent. Indien belanghebbende naar het oordeel van burgemeester en wethouders de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. Indien belanghebbende naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen rente kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd. Bij een inkomen dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt geen aflossing gevergd. Tevens wordt geen aflossing gevergd indien belanghebbende een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars ontvangt. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stellen burgemeester en wethouders, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast. Bij de beoordeling van deze omstandigheden wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen. Krediethypotheek gevestigd voor 1-1-1996Een uitzondering op artikel XVIII ad a, d, e en f kan worden gemaakt voor krediethypotheken die gevestigd zijn voor 1-1-1996. De overige bepalingen van het Bijstandsbesluit krediethypotheek (inwerking getreden d.d. 07-12-1983) blijven van kracht. Aan de betrokken cliënten wordt de keus gelaten of zij volgens de oude of de nieuwe wijze gaan aflossen.

Rechtspraak bij dit artikel