Voor de aflopende toelage geldt als berekeningsbasis het bedrag dat wordt verkregen door het bedrag dat de ambtenaar over de 12 kalendermaanden, voorafgaande aan de datum, waarop de in artikel 3:0:1:17, eerste lid bedoelde blijvende verlaging van zijn bezoldiging intreedt, gemiddeld per maand aan t.o.d. heeft genoten, te verminderen met het bedrag, dat hij daarna in totaal per maand gaat genieten aan t.o.d. en aan verhogingen van de bezoldiging, anders dan die wegens algemene salarisverhogingen. De in die periode van 12 kalendermaanden genoten t.o.d. wordt voor de berekening van vorenbedoeld gemiddeld bedrag aangepast aan plaatsgevonden hebbende algemene salarisstijgingen.
De uitkeringsperiode voor de aflopende toelage is gelijk aan het, naar boven op een maand afgeronde één vierde gedeelte van de tijd, gedurende welke de ambtenaar, onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van de in artikel 3:0:1:17, eerste lid bedoelde blijvende verlaging van de bezoldiging t.o.d. zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. Aan de uitkeringsperiode voor de aflopende toelage is een maximum verbonden van drie jaar.
De uitkeringsperiode voor de aflopende toelage wordt in drie gelijke delen gesplitst, waarbij - te beginnen met het eerste deel- afronding naar boven op een hele maand plaatsvindt, met dien verstande, dat hierdoor de, ingevolge het vorige lid, vastgestelde totale duur van de uitkeringsperiode van de toelage niet mag worden overschreden. Gedurende deze drie deelperioden bedraagt de toelage achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de voor de desbetreffende maand(en) van toepassing zijnde berekeningsbasis.
Indien de in artikel 3:0:1:17, eerste lid bedoelde blijvende inkomstenvermindering intreedt op de eerste dag van een maand, vangt de aflopende toelage op die datum aan. Treedt deze vermindering in op een andere dag van de maand, dan gaat de toelage in op de eerste dag van de erop volgende maand. In het laatste geval wordt aan de ambtenaar over de maand, waarin de inkomstenvermindering intreedt, een aanvulling verleend op het door hem over die maand genoten bedrag aan t.o.d. tot het gemiddelde maandbedrag dat hij hieraan over de 12 maanden, voorafgaande aan vorenbedoelde inkomstenvermindering, heeft genoten. Wijzigingen van de aflopende toelage, voortvloeiende uit mutaties, welke plaatsvinden op een andere dag dan de eerste van een maand, gaan in op de eerste van de daaropvolgende maand.
De aflopende toelage wordt niet uitbetaald over een maand, waarop een berekeningsbasis van toepassing is lager dan 3% van de bezoldiging van de ambtenaar, zoals deze gold op de dag, voorafgaande aan die waarop de in artikel 3:0:1:17, eerste lid bedoelde blijvende inkomstenvermindering intrad.
Ingeval van een algemene salariswijziging wordt voor de toepassing van dit besluit rekening gehouden met een fictieve wijziging van het in het eerste lid bedoelde bedrag van het door de ambtenaar gemiddeld per maand genoten bedrag aan t.o.d., alsmede van het in het vorige lid bedoelde bedrag van de bezoldiging, zulks tot het percentage van deze algemene wijziging of tot een bedrag naar rato indien de salariswijziging niet of niet volledig in percenten plaatsvindt.
Ingeval binnen een jaar na de ingangsdatum van een aflopende toelage aanspraak ontstaat op een nieuwe aflopende toelage, geldt voor laatstbedoelde toelage in zoverre een afwijkende berekeningsbasis, dat hiervoor in het eerste lid in plaats van de zinsnede “over de 12 kalendermaanden voorafgaande aan de datum, waarop de in artikel 3:0:1:17, eerste lid bedoelde blijvende verlaging van zijn bezoldiging intreedt”, moet worden gelezen: over de periode, liggende tussen de aanvangsdatum van de reeds bestaande aflopende toelage en de eerste dag van de maand, waarin sprake is van een inkomstenvermindering in de zin van artikel 3:0:1:17, eerste lid welke aanspraak geeft op een nieuwe aflopende toelage.