De volgens artikel 6:2:1:1 vastgestelde duur van de vakantie wordt verhoogd met een na te noemen aantal uren:
over het kalenderjaar waarin de ambtenaar nog niet de leeftijd van 19 jaar bereikt met 21,6 uur;
over het kalenderjaar waarin de ambtenaar de leeftijd van 19 jaar bereikt met 14,4 uur;
over het kalenderjaar waarin de ambtenaar de leeftijd van 20 jaar bereikt met 7,2 uur;
over het kalenderjaar waarin de ambtenaar de leeftijd van 40 jaar bereikt alsmede over de daarop volgende vier kalenderjaren met 7,2 uur;
over het kalenderjaar waarin de ambtenaar de leeftijd van 45, 50 en 55 jaar bereikt, alsmede over de op het desbetreffende kalenderjaar volgende vier jaar met onderscheidenlijk 14,4, 21,6 en 28,8 uur;
over het kalenderjaar waarin de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar bereikt alsmede over de daarop volgende kalenderjaren met 36 uur.
Op verzoek van de ambtenaar betaalt het college maximaal 21,6 uren leeftijdsverlof uit, tenzij hiertegen financiële of organisatorische bezwaren bestaan.