Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 7:1:0:5

Aanwijzingen voor de leidinggevende

Onderdeel van CAR/UWO

De leidinggevende geeft een ziekmelding, een verandering in verblijfplaats van de zieke medewerker, een gedeeltelijke of volledige herstelmelding of andere informatie die van belang is voor de ziekteverzuimbegeleiding door de bedrijfsarts of arbodienst, direct via e-mail door aan de personeels- en salarisadministratie. Indien de leidinggevende kennis draagt van feiten en omstandigheden die, ter beperking van de verzuimduur, direct ingrijpen wenselijk of noodzakelijk maken, meldt hij dit bij de bedrijfsarts en bespreekt de te ondernemen stappen. De leidinggevende draagt er zorg voor dat de zieke medewerker vanuit de dienst wordt begeleid conform wetgeving (wet verbetering poortwachter) en het vastgestelde beleid. De leidinggevende heeft binnen 3 weken na de eerste ziektedag contact met de bedrijfsarts, en voorts voor zover noodzakelijk. Voorts draagt de leidinggevende er zorg voor dat hij tijdig, uiterlijk aan het begin van de zevende week na de ziekmelding of zoveel eerder als nodig is, in het bezit is van de probleemanalyse van de bedrijfsarts. In de achtste week na de ziekmelding of, indien nodig, eerder stelt de leidinggevende in samenspraak met de zieke medewerker op basis van de probleemanalyse een plan van aanpak op teneinde werkhervatting c.q. reïntegratie te bereiken. In het plan van aanpak is in ieder geval opgenomen: wie als casemanager optreedt, wat de doelstelling is, welke acties door wie hiertoe worden ondernomen, eventuele afspraken over contact tussen bedrijfsarts en overige behandelaars bij herplaatsing elders: afspraken over inzet reïntegratiebedrijf binnen welke termijn een actie dient te zijn uitgevoerd en wanneer evaluatie plaatsvindt. De medewerker en de bedrijfsarts ontvangen een afschrift van het plan van aanpak. De leidinggevende bespreekt de voortgang van het plan van aanpak regelmatig met de zieke medewerker. De frequentie is afhankelijk van de aard van het verzuim en de situatie maar de tussenpozen zijn niet groter dan 6 weken. Indien nodig wordt het plan van aanpak bijgesteld. De leidinggevende draagt er zorg voor dat het gesprek schriftelijk wordt vastgelegd. De medewerker ontvangt een afschrift van het verslag. Uiterlijk in de 52e ziekteweek belegt de leidinggevende een gesprek met de zieke medewerker waarin de tot dan toe ondernomen acties worden geëvalueerd en wordt vastgelegd wat de actuele stand van zaken is teneinde het perspectief en het doel in de komende periode te bepalen. De leidinggevende dan wel de casemanager draagt bij langdurend verzuim zorg voor een volledig re-integratiedossier en ziet er op toe dat deze bevat: de probleemanalyse het plan van aanpak de eventuele bijstellingen van het plan van aanpak verslagen van voortgangsgesprekken de verslagen van de bedrijfsarts naar aanleiding van het spreekuur de 1e jaarsevaluatie alle documenten en correspondentie die betrekking hebben op de ondernomen activiteiten. Zodra de medewerker zijn werkzaamheden hervat, belegt de leidinggevende een terugkeergesprek. Bij langdurend verzuim vindt dit gesprek zo mogelijk plaats alvorens de werkzaamheden worden hervat. Indien sprake is van frequent verzuim bespreekt de leidinggevende direct dan wel kort na hervatting van het werk, met de medewerker de mogelijke oorzaken van het verzuim en, indien die oorzaken daartoe aanleiding geven, verzoekt de bedrijfsarts betrokkene uit te nodigen voor het spreekuur. In het werkoverleg geeft de leidinggevende regelmatig aandacht aan de arbeidsomstandigheden in relatie met ziekteverzuim. Indien nodig stelt hij de bevindingen van het werkoverleg aan de orde in het managementteamoverleg (MT) of in het overleg met de directeur.

Rechtspraak bij dit artikel