Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Verordening op het bewaren van houtopstand

In deze verordening wordt verstaan onder: boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. In het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht kunnen voorschriften gesteld en maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 10 cm. doorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld. houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken en een beplanting van bosplantsoen; hakhout: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; bos: een rij of groep bomen met een bij volle wasdom intredende of ingetreden aaneengesloten kronendak, die meer dan 10 are oppervlakte beslaat of in het geval van rijbeplantingen bestaat uit meer dan 20 bomen, met uitzondering van erven en tuinen; vellen: kappen of rooien van houtopstand, met inbegrip van verplanten en afzetten, het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben; knotten of kandelaberen: het tot op de oude groeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud; dunning: velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd. De dunning moet voorts gericht zijn op een hogere stabiliteit en kwaliteitsverbetering van de houtopstand. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet; waardevolle boom: bijzondere beschermwaardige houtopstand met een relatief hoge leeftijd en met een bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde, of een bijzondere functie voor de omgeving; beeldbepalendheid: indien voor een normaal handelend weggebruiker de habitus, oftewel het verschijningsbeeld, van houtopstand vanaf openbaar terrein voor tenminste 75% van de totale habitus zichtbaar is; boomwaarde: de door het bevoegd gezag vastgestelde wijze waarop de waarde van bomen wordt bepaald. De boomwaarde wordt uitgedrukt in het product van de volgende factoren: de oppervlakte in cm2 van de dwarsdoorsnede van de stam op 1.30 meter boven het maaiveld; de geïndexeerde eenheidsprijs per cm2; de standplaatswaarde; de conditiewaarde; de waarde van de plantwijze; omgevingsvergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, lid 1, sub g van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In deze verordening kan voor "hij" ook "zij" gelezen worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel