Naar hoofdinhoud
1. De aanwijzing door burgemeester en wethouders en de raad geschiedt bij elke nieuwe zit­tingsperiode van de raad en voorts telkens ter vervanging van hen die ophouden lid van het college van burgemeester en wethouders of van de raad te zijn. 2. Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in artikel 2, lid 3, aan burge­meester en wethouders opgaaf van: het aantal der op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren; de namen en adressen der ambtenaren, die ingevolge artikel 2, lid 3, als leden en plaatsvervangers zijn aangewezen. 3. Degene, die als lid of plaatsvervanger door een organisatie is aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de or­ganisatie schriftelijk aan burgemeester en wethouders doet weten dat zijn aanwijzing alsvertegenwoordiger of plaatsvervanger is ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk een opvolger aangewezen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel