Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3

Toeslagen alleenstaanden en alleenstaande ouders

Onderdeel van Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand

1. De norm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleen¬staande of de alleenstaande ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet kunnen delen van deze kosten met een ander. 2. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 20% voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdver¬blijf heeft. 3. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder in wiens woning uitslui¬tend inwonende kinderen verblijven: 20%, indien deze kinderen elk een inkomen hebben dat lager ligt dan het in artikel 21, onderdeel a van de wet genoemde normbedrag; 14%, indien tenminste één kind een inkomen heeft gelijk aan of hoger dan het in artikel 21, onderdeel a van de wet genoemde normbedrag. 4. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 5%, indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder in¬woont bij de ouder(s). 5. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleen¬staande en de alleenstaande ouder op wie het tweede, derde of vierde lid niet van toepassing is: 14%, indien een zakelijke overeenkomst betreffende het gebruik van de woning wordt aangetoond, dan wel de inwoning van derden invloed heeft op de hoogte van de huurtoeslag; 5%, indien geen zakelijke overeenkomst betreffende het gebruik van de woning wordt aangetoond. 6. In afwijking van het bepaalde in het derde, vierde en vijfde lid, bedraagt de toeslag als bedoeld in het eerste lid voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder die in een in zijn woning verblijvende hulpbehoevende verpleegt of verzorgt, dan wel die zelf hulpbehoevend is: 20%.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel