Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 6

Wijzigings- en intrekkingsgronden

Onderdeel van Verordening kabels en leidingen Etten-Leur 2008

1.Het college kan de vergunning wijzigen of intrekken, indien: de KLB de exploitatie en het onderhoud van de leiding gedurende een aaneengesloten periode van ten minste zes maanden staakt dan wel de leiding anderszins gedurende een periode van ten minste zes maanden niet in gebruik en niet onderhouden is; blijkt dat de vergunning op basis van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend; de vergunning in strijd met enig wettelijk voorschrift is afgegeven; de KLB het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de vergunningvoorschriften niet naleeft; na het verlenen van de vergunning naar het oordeel van het college gegronde aanleiding bestaat te veronderstellen dat het van kracht blijven van de vergunning, met het oog op de belangen genoemd in artikel 8, tweede lid, onaanvaardbare schadelijke gevolgen heeft voor mens, natuur of milieu en hieraan door het stellen van nadere voorschriften en beperkingen aan de verleende vergunning niet kan worden tegemoetgekomen; dit noodzakelijk is voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege de eigenaar van grond waarin een leiding is gelegen; de eigenaar van grond waarin een leiding is gelegen jegens een derde gehouden is grond, die door de eigenaar van de grond waarin de leiding is gelegen is bestemd voor het oprichten van een of meer gebouwen, zodanig te leveren dat die derde na verkrijging van de grond bij het door of vanwege hem oprichten van een of meer gebouwen niet gehinderd wordt door de in de grond aanwezige leidingen. De oprichting van een of meer gebouwen dient op het moment dat een verzoek wordt gedaan voldoende bepaalbaar te zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel