1.Het college kan de vergunning wijzigen of intrekken, indien:
de KLB de exploitatie en het onderhoud van de leiding gedurende
een aaneengesloten periode van ten minste zes maanden staakt dan
wel de leiding anderszins gedurende een periode van ten minste
zes maanden niet in gebruik en niet onderhouden is;
blijkt dat de vergunning op basis van onjuiste of onvolledige
gegevens is verleend;
de vergunning in strijd met enig wettelijk voorschrift is
afgegeven;
de KLB het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de
vergunningvoorschriften niet naleeft;
na het verlenen van de vergunning naar het oordeel van het
college gegronde aanleiding bestaat te veronderstellen dat het
van kracht blijven van de vergunning, met het oog op de belangen
genoemd in artikel 8, tweede lid, onaanvaardbare schadelijke
gevolgen heeft voor mens, natuur of milieu en hieraan door het
stellen van nadere voorschriften en beperkingen aan de verleende
vergunning niet kan worden tegemoetgekomen;
dit noodzakelijk is voor de oprichting van gebouwen of de
uitvoering van werken door of vanwege de eigenaar van grond
waarin een leiding is gelegen;
de eigenaar van grond waarin een leiding is gelegen jegens een
derde gehouden is grond, die door de eigenaar van de grond
waarin de leiding is gelegen is bestemd voor het oprichten van
een of meer gebouwen, zodanig te leveren dat die derde na
verkrijging van de grond bij het door of vanwege hem oprichten
van een of meer gebouwen niet gehinderd wordt door de in de
grond aanwezige leidingen. De oprichting van een of meer
gebouwen dient op het moment dat een verzoek wordt gedaan
voldoende bepaalbaar te zijn.
Hoofdstuk
Artikel 6
Wijzigings- en intrekkingsgronden
Onderdeel van Verordening kabels en leidingen Etten-Leur 2008