Het Algemeen Bestuur kan met in achtneming van artikel 21, eerst, tweede
lid en derde lid, van de Wet Gemeenschappelijke regelingen voor de leden
van het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter een
regeling voor een tegemoetkoming in de kosten en een vergoeding voor hun
werkzaamheden, alsmede een tegemoetkoming in of vergoeding van
bijzondere kosten en andere financiële voorzieningen, die verband houden
met de vervulling van hun lidmaatschap van het bestuur vaststellen.