Het college legt een maatregel op indien naar zijn oordeel een belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende is nagekomen, met inbegrip van de verplichtingen die in het besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand zijn opgenomen. De maatregel wordt opgelegd naar de toekomst.
De maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van het feit en de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de persoonlijke omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. Van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan er afgezien worden van het opleggen van de maatregel als bedoeld in het eerste lid.
De maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt opgelegd zo spoedig mogelijk nadat het besluit daartoe genomen is. Indien dit niet (meer) mogelijk is en tot het opleggen van een maatregel is besloten wordt de bijstand met terugwerkende kracht herzien indien niet de volledige bijstand wordt herzien en ingetrokken.
Het opleggen van een maatregel vindt plaats op de periodiek algemene bijstand.
Bij een belanghebbende jonger dan 21 jaar wordt de maatregel die wordt opgelegd op de bijstands-norm ook opgelegd over de aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud.