Bij gedragingen als bedoeld in hoofdstuk 2 artikel 3 wordt een maatregel opgelegd als volgt:
vijf procent van de bijstand voor de duurvan een maand bij gedragingen van de eerste categorie;
tien procent van de bijstand voor de duureen maand bij gedragingen van de tweede categorie;
twintig procent van de bijstand voor de duur een maand bij gedragingen van de derde categorie;
honderd procent van de bijstand voor de duur vaneen maand bij gedragingen van de vierde categorie.
Bij gedragingen als bedoeld in artikel 4 wordt een maatregel opgelegd in de vorm van een verlaging van 10% van het bruto-benadelingbedrag, met dien verstande dat zij op tenminste € 50,00 wordt vastgesteld.
De verlaging als bedoeld in lid 1 en 2 wordt telkens naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,00.
De verlaging als bedoeld in lid 1 en 2 wordt maandelijks ingehouden op de uitkering.
Hoofdstuk 5
Artikel 8
De hoogte en duur van de maatregel
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand