WIJZE VAN HEFFING EN TERMIJN VAN BETALING
1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften.
2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.
3. Indien een parkeervergunning in de loop van het jaar wordt ingetrokken, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de intrekking van de parkeervergunning, nog volle kalendermaanden overblijven; met dien verstande dat de restitutie niet wordt verleend indien het bedrag daarvan minder dan € 10,00 bedraagt.
4. Indien een parkeervergunning in de loop van een belastingjaar wordt aangevraagd is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting, waarbij het tijdstip van de aanvraag als volledige maand wordt aangemerkt; met dien verstande dat de verschuldigde belasting niet wordt geïnd indien het bedrag daarvan minder dan € 10,00 bedraagt.
5. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
Hoofdstuk
Artikel 6
Artikel 6
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2013