De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel
a, wordt geheven bij wege van voldoening op
aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de
aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur
op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het
college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel
b, wordt geheven bij wege van voldoening op
aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning
wordt verleend.
Indien een parkeervergunning in de loop van het jaar wordt
ingetrokken, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde
gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in
dat jaar, na de intrekking van de parkeervergunning, nog volle
kalendermaanden overblijven; met dien verstande dat de restitutie
niet wordt verleend indien het bedrag daarvan minder dan € 10,00
bedraagt.
Indien een parkeervergunning in de loop van een belastingjaar wordt
aangevraagd is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde
gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting, waarbij het
tijdstip van de aanvraag als volledige maand wordt aangemerkt; met
dien verstande dat de verschuldigde belasting niet wordt geïnd
indien het bedrag daarvan minder dan € 10,00 bedraagt.
Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
Artikel 6
WIJZE VAN HEFFING EN TERMIJN VAN BETALING
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2013