1. Burgemeester en wethouders stellen de verlaging van de bijstand als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet vast op honderd procent van de betreffende bijstandsnorm bij een gedraging uit de vierde categorie.
2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder een gedraging van de vierde categorie:
a. het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking;
b. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
c. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;
d. het zich misdragen tegenover een medewerker belast met de uitvoering van de wet, alsmede in dit kader vastgestelde regelgeving;
e. het vernielen/beschadigen van eigendommen van een organisatie belast met de uitvoering van de wet, alsmede in dit kader vastgestelde regelgeving;
f. het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen behorende bij een werkervaringsplaats;
g. het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen gericht op directe arbeidsinschakeling via door de gemeente aangewezen organisatie.
Hoofdstuk 2
Artikel 5
Gedragingen van de vierde categorie
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand