De verlaging van de bijstand bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet vindt bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 2 t/m 5 van deze verordening plaats:
a. voor de duur van één maand, wanneer sprake is van een eerste verwijtbare gedraging;
b. voor de duur van twee maanden, wanneer sprake is van een tweede verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden na de eerste als verwijtbaar aangemerkte gedraging.
c. burgemeester en wethouders kunnen bij een derde en volgende verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden na de eerste verwijtbare gedraging de bijstand verlagen voor maximaal drie maanden.
Hoofdstuk 3
Artikel 7
Periode van de verlaging
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand