1. Burgemeester en wethouders kunnen onverminderd het bepaalde in artikelen twee tot en met vijf, de hoogte van de verlaging en de periode anders vaststellen, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.
2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels opstellen betreffende de mate van afstemming bij misdragingen tegenover een medewerker belast met de uitvoering van de wet.