1. De belanghebbende die naar het oordeel van het college, dan wel de uit de wet of artikel 30c tweede en derde lid van de wet SUWI voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, kan overeenkomstig deze verordening een maatregel worden opgelegd.
2. De maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de verwijtbaarheid de belanghebbende kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.
3. De maatregel wordt toegepast op de WIJ-norm.
4. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, krijgt de jongere dat schriftelijk medegedeeld.
Hoofdstuk 1
Artikel 2
Het opleggen van een maatregel
Onderdeel van Maatregelverordening Investeren in Jongeren (WIJ)