De commissie vermijdt dat omtrent een bouwplan, waaraan onvolkomenheden kleven van geringe betekenis en waaromtrent het overleg als bedoeld in artikel 11, leden 2 en 3 tot een negatief oordeel heeft geleid omtrent dit plan, ad vies wordt uitgebracht aan burgemeester en wethouders, mits de termijnen dit toelaten.
Zodra een omstandigheid als bedoeld in het vorige lid zich voordoet en de commissie van oordeel is dat de in dit lid bedoelde onvolkomenheden op eenvoudige wijze binnen de geldende termijnen ongedaan kunnen worden gemaakt, treedt de commissie, alvorens advies uit brengen aan burgemeester en wethouders, in overleg met de aanvrager en de ontwerper van het bouwplan.
3. De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op een plan als bedoeld in de Monumentenwet.
HOOFDSTUK III
Artikel 13
Onvolkomenheden van geringe bete kenis in het ontwerp bouwplan
Onderdeel van Verordening commissie ruimtelijke kwaliteit voor het district Zuid-Limburg, rayon landelijk Parkstad