Naar hoofdinhoud
1.. De burgemeester kan aan een persoon die de artikelen 2:1, 2:1a, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:53, 2:74, 3:18 van de Algemene plaatselijke verordening, de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, de artikelen 141, 184, 239, 266 jo 267, 285, 300, 350, 424, 426 en 453 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 of 27 van de Wet Wapens en Munitie  overtreedt een bevel geven zich gedurende ten hoogste achtenveertig uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op de houden. 2.. In het geval van overtredingen als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw één of meer van de bovengenoemde overtredingen begaat, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3.. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als de overtreding binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4.. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijke ontheffing verlenen van een bevel.

Rechtspraak bij dit artikel