Een vergunning als bedoeld in artikel 3 moet schriftelijk worden aangevraagd door de exploitant van de horeca-inrichting.
De aanvraag om een vergunning vermeldt:
a. naam en adres van de aanvrager,
b. de activiteit waarvoor een vergunning wordt aangevraagd,
de kadastrale ligging en het adres van de inrichting, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd,
de omvang van de inrichting in vierkante meters bedrijfsvloeroppervlakte,
overige gegevens die burgemeester en wethouders voor de beoordeling van de aanvraag nodig achten.
Indien de aanvraag niet de gegevens bevat die krachtens of ingevolge de verordening zijn vereist, stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid om binnen 14 dagen de aanvraag aan te vullen.
Indien de aanvrager niet binnen de gestelde termijn gebruik maakt van de gelegenheid als bedoeld in lid 3, nemen burgemeester en wethouders de aanvraag niet in behandeling.
De vergunning wordt ten name gesteld van het pand en is overdraagbaar.
Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden in het belang van wering van dreigende, en stuiting van reeds ingetreden achteruitgang van de woon- en werkomstandigheden, dan wel uiterlijk aanzien van het in artikel 1 aangewezen gebied.
Een vergunning kan voor een bepaalde tijd worden verleend.
Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om een vergunning binnen 12 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste 12 weken verdagen. Een afschrift van het besluit tot verdaging wordt aan de aanvrager gezonden.
Een vergunning kan worden ingetrokken, indien zij is verleend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens, indien de voorschriften niet worden nagekomen, dan wel indien van de vergunning geen gebruik meer wordt gemaakt. Alvorens de vergunning wordt ingetrokken wordt de houder van de vergunning gehoord.