Naar hoofdinhoud
1.    De geldlening, bedoeld in artikel 1 en 2, is ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder d van de Wet werk en bijstand. 2.    Ter vaststelling van de waarde van de woning vindt taxatie plaats door een taxateur voor onroerende zaken die door burgemeester en wethouders in overeenstemming met de belanghebbende wordt aangewezen of door een gemeentelijk taxateur. 3.    De kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, de pandovereenkomst, alsmede de bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende. De bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als algemene bijstand, tenzij aan de belanghebbende uitsluitend bijzondere bijstand wordt verleend. 4.    Indien bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek c.q. onder vestiging van pandrecht als bedoeld in artikel 1 en 2 van deze Verordening, wordt daartoe mede gerekend de eventuele bijstand in de kosten, genoemd in het derde lid van dit artikel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel