Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 11

Voorschriften en beperkingen voor standplaatsvergunningen

Onderdeel van Beleidsregels standplaatsvergunningen

1.. Aan een standplaatsvergunning worden de volgende voorschriften verbonden: De vergunninghouder dient zelf aanwezig te zijn. Hij kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een bij hem in dienst zijnd persoon; Een vergunninghouder dient de omgeving van de locatie schoon te houden en schoon achter te laten; Wanneer tenminste drie achtereenvolgende keren, dan wel vijf maal gedurende twee opeenvolgende maanden, geen gebruik van de standplaatsvergunning wordt gemaakt, dan kan de vergunning worden ingetrokken. 2.. In de vergunning worden verder nog voorschriften opgenomen over: Het tijdstip vanaf wanneer de standplaats kan worden ingenomen en moet zijn verlaten; Welke diensten mogen worden aangeboden; De locatie; De geldigheidsduur van de vergunning.

Rechtspraak bij dit artikel