1. Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
aangewerkt.
2. De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid
van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het
bouwwerk of de buitenriolering.
3. In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
rottingputten voorkomen.
4. Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een
vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan beide
laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt
voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997.
5. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding
voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse
waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn
hebben van ten minste 125 mm.
6. Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken
van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten
doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien
wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen
in bijlage 7.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 7
Artikel 2.7.6
Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen
Onderdeel van Bouwverordening gemeente Medemblik