1. Het bevoegd gezag kan een gebruiksvergunning intrekken indien:
a. blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of
onvolledige gegevens hebben verleend;
b. blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan
een voorwaarde van de vergunning;
c. van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na
het onherroepelijk worden van de vergunning;
d. van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer
geen gebruik is gemaakt;
e. het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op
grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de
omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het
verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het
stellen of wijzigen van voorwaarden dat belang voldoende te
beschermen.
2. Het bevoegd gezag gaat niet over tot intrekking dan nadat zij de
houder van de vergunning hebben gehoord.
Hoofdstuk 6 › Paragraaf 1
Artikel 6.1.6
Intrekken gebruiksvergunning
Onderdeel van Bouwverordening gemeente Medemblik