In deze verordening wordt verstaan onder:
wet: de Huisvestingswet;
bewoning: met bestemming tot bewoning wordt bedoeld dat men daar permanent woont en daar zijn hoofdverblijf heeft, zoals bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie (Wet GBA);
college: het college van burgemeester en wethouders;
eigenaar: eigenaar als bedoeld in artikel 1, tweede lid van de wet;
huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren;
kamerverhuur: de verhuur van een deel van al dan niet zelfstandige woonruimte ten behoeve van (langdurige) bewoning door personen voor welke inschrijving in de Gemeentelijke Basis Administratie noodzakelijk is en die geen duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren;
kamerverhuurpand: gebouw of een deel van een gebouw met, of geschikt te maken voor, drie of meer kamers, niet vallende onder het begrip logiesgebouw en/of logiesverblijf als bedoeld in het Bouwbesluit, die als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond door personen die geen gemeenschappelijke huishouding voeren;
logiesverhuur: de verhuur van een deel van al dan niet zelfstandige woonruimte ten behoeve van (kortdurende) bewoning aan personen die geen duurzame gemeenschappelijke huishuishouding voeren en voor welke bewoning inschrijving in de Gemeentelijke Basis Administratie niet noodzakelijk is;
logiespand:gebouw of een deel van een gebouw met, of geschikt te maken voor, drie of meer kamers, die als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond ten behoeve van in de regel kortdurende bewoning door personen die geen gemeenschappelijke huishouding voeren en waarbij een maximum geldt van 10 personen;
onzelfstandige woonruimte: Een (complex van) woonruimte(n) waarbij men wezenlijke voorzieningen, zijnde keuken, badkamer en toilet, gemeenschappelijk moet gebruiken en waarvan de deur van het privévertrek uitkomt op een gemeenschappelijke (verkeers)ruimte;
omzetting: het omzetten van een zelfstandige woonruimte in een onzelfstandige woonruimte;
omzettingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid sub c van de wet;
woningcomplex: samengesteld geheel van tenminste drie gestapelde woningen;
woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet te zamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden;
zelfstandige woonruimte: een woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.
HOOFDSTUK 1
Artikel 1.1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Verordening voor kamerverhuur- en logiespanden