Naar hoofdinhoud
Lid 1 Aan de medewerker wiens bezoldiging een blijvende verlaging ondergaat van tenminste 3% van de som van het salaris en de toelage, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in de artikelen 20 tot en met 22, wordt een aflopende toelage toegekend, mits hij de betreffende toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering daarvan, gedurende tenminste 2 jaren zonder een onderbreking van langer dan twee maanden heeft ontvangen. Lid 2 De hoogte van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde toelage is het bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de 12 maanden voorafgaande aan de datum waarop de verhindering tot het vervullen van de betrekking is ontstaan, gemiddeld per maand is toegekend aan de betreffende vergoeding of toelage.. Lid 3 De duur van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde aflopende toelage bedraagt een vierde deel van de tijd dat de ambtenaar de betreffende toelage zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten, met dien verstande dat de toelage als bedoeld in het eerste lid maximaal drie jaar bedraagt De uitkeringsduur wordt verdeeld in drie gelijke termijnen, waarbij – te beginnen met de eerste termijn – afronding naar boven op een gehele maand plaatsvindt, met dien verstande dat hierdoor de vastgestelde totaal duur van de uitkeringsperiode van de toelage niet mag worden overschreden. In de eerste termijn ontvangt de medewerker 75% van de in lid 1 van dit artikel bedoelde verlaging; In de tweede termijn ontvangt de medewerker 50% van de in lid 1 van dit artikel bedoelde verlaging; In de derde termijn ontvangt de medewerker 25% van de in lid 1 van dit artikel bedoelde verlaging. Lid 4 De medewerker van 55 jaar of ouder ontvangt in afwijking van het eerste lid een blijvende toelage, mits hij de betreffende toelage direct voorafgaande aan het tijdstip van beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste 10 jaar zonder onderbreking van langer dan twee maanden heeft ontvangen. Lid 5 De aflopende toelage als bedoeld in lid 1 wordt omgezet in een blijvende toelage, zodra de medewerker 55 jaar wordt en mits hij de betreffende toelage direct voorafgaande aan het tijdstip van beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste 10 jaar zonder een onderbreking van langer dan twee maanden heeft ontvangen. Lid 6 De periode doorgebracht vanwege arbeidsongeschiktheid, zwangerschaps-, bevallings- of ouderschapsverlof wordt niet aangemerkt als onderbreking in de zijn van de vorige leden.

Rechtspraak bij dit artikel