1. In aanmerking voor de langdurigheidstoeslag komen personen die gedurende 36 kalendermaanden voorafgaand aan de peildatum aangewezen zijn geweest op een inkomen dat niet hoger was dan het voor hen geldend sociaal minimum.
2. Het vermogen niet hoger is dan de geldende vermogensgrens.
3. Door een gebrek aan arbeidsmarktperspectief geen uitzicht hebben op inkomensverbetering.
4. Voldoende hebben getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden.
5. In afwijking op het eerste lid komen ook personen in aanmerking voor de langdurigheidstoeslag die maximaal 3 kalendermaanden een hoger inkomen uit arbeid hebben genoten, ongeacht of dat inkomen hoger was dan het sociaal minimum.
6. In afwijking op het eerste lid komen personen die op de peildatum een opleiding volgen als bedoeld in de WTOS, dan wel een studie volgt als genoemd in de WSF 2000, niet in aanmerking voor de langdurigheidstoeslag.
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Verordening Langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand