**1..** Aan de vergunning, bedoeld in de artikelen 4 en 5 kunnen door burgemeester en wethouders zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is.
**2..** Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning de volgende voorschriften verbinden:
aanwijzingen van politieambtenaren en andere door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren dient onmiddellijk gevolg te worden gegeven;
op een daartoe strekkend strekkend verzoek van de hiervoor genoemde ambtenaren dient het vergunningbewijs onmiddellijk aan hen overhandigd te worden;
het is de vergunninghouder niet toegestaan om zijn vergunningbewijs, al dan niet tegen betaling, aan derden beschikbaar te stellen, met uitzondering van werkgevers die deze vergunningen aan de werknemers beschikbaar stellen;
de vergunninghouder is verplicht om wijzigingen in één of meer van de omstandigheden die relevant waren voor het verstrekken van de vergunning terstond te melden aan burgemeester en wethouders;
bij het parkeren in het vergunningengebied moet een doorrijbreedte worden vrijgelaten die zodanig is dat een voertuig met een breedte van 2.60 meter te allen tijde ongehinderd kan passeren;
indien de vergunning geldig is voor de kelder van het stadhuis mag daarvan geen gebruikgemaakt worden door auto's voorzien van een L.P.G.-installatie.
**3..** Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning ook andere voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen mogen alleen strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.