De rechthebbende op een hond is verplicht zijn of haar hond
aan te lijnen indien de hond zich binnen de bebouwde kom, op
of aan de weg bevindt, met uitzondering van die plekken die
zijn aangewezen op grond van het vierde lid.
De rechthebbende op een hond is verplicht zijn of haar hond
aan te lijnen indien de hond zich buiten de bebouwde kom
bevindt op een plek die is aangewezen op grond van het
vijfde lid.
De rechthebbende op een hond mag deze hond, al dan niet
aangelijnd, niet laten verblijven op voor kinderen bestemde
openbare speelplaatsen, speelweiden of trapveldjes dan wel
op plekken die op grond van het zesde lid door het college
zijn aangewezen.
Het college kan plaatsen binnen de bebouwde kom aanwijzen
waar honden onaangelijnd mogen verblijven.
Het college kan plaatsen buiten de bebouwde kom aanwijzen
waar honden dienen te worden aangelijnd ter voorkoming van
gevaar, hinder of overlast.
Het college kan plaatsen aanwijzen waar honden niet mogen
verblijven, ter voorkoming van gevaar, hinder of overlast.
Het bepaalde in de leden 1 t/m 3 is niet van toepassing voor
zover de rechthebbende op een hond zich vanwege zijn
handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als
zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 11
Artikel 2:57
Loslopende honden, verboden plaatsen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Culemborg 2011-1