Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften als bedoeld in artikel 12, lid 9, om:
in een beschermd archeologisch monument als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2, bodemverstorende activiteiten te verrichten;
in een "archeologisch waardevol gebied A" bodemverstorende activiteiten te verrichten voor zover het betreft grondwerkzaamheden met een bodemverstoring dieper dan
0,3 - Mv en met een oppervlakte van meer dan 50 m2,;
in een "archeologisch waardevol gebied B" bodemverstorende activiteiten te verrichten voor zover het betreft grondwerkzaamheden met een bodemverstoring dieper dan 0,3 - Mv en met een oppervlakte van meer dan 100 m2,;
in een "archeologisch onderzoeksgebied A" bodemverstorende activiteiten te verrichten voor zover het betreft grondwerkzaamheden met een bodemverstoring dieper dan 0,3 - Mv en met een oppervlakte van meer dan 500 m2,; in een "archeologisch onderzoeksgebied B" bodemverstorende activiteiten te verrichten voor zover het betreft grondwerkzaamheden met een bodemverstoring dieper dan 0,5 - Mv en met een oppervlakte van meer dan 1000 m2,.;
in een "archeologisch onderzoeksgebied C" bodemverstorende activiteiten te verrichten voor zover het betreft grondwerkzaamheden met een bodemverstoring dieper dan 3,0 - Mv en met een oppervlakte van meer dan 2500 m2,.
Het verbod zoals bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien:
in het geldende bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen over archeologische monumentenzorg;
in een vrijstellingsbesluit als bedoeld in artikel 15, 17 of 19 van de Wet op de ruimtelijke ordening voorschriften zijn opgenomen met betrekking tot archeologische monumentenzorg;
sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en ten aanzien van die activiteit voorschriften zijn opgenomen met betrekking tot archeologische monumentenzorg;
burgemeester en wethouders nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot de verstoring van een archeologisch waardevol gebied of archeologisch onderzoeksgebied zoals aangegeven op de archeologische beleidskaart;
een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, en waaruit blijkt dat:
het behoud van de aanwezige archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of
de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of
in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.