De langdurigheidtoeslag bedraagt per jaar 40% van de op de
peildatum van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in
artikel 5, onderdeel c van de WWB, waarbij:
de verhoging op grond van paragraaf 3.3 van de WWB voor de
alleenstaande en de alleenstaande ouder, gesteld wordt op het
maximum als genoemd in artikel 25 van de WWB;
de verlaging op grond van paragraaf 3.3 van de WWB op de
gezinsnorm,niet van toepassing is;
de hoogte van de bijstandsnorm wordt gesteld op het niveau op 1
januari van het jaar waarin de peildatum ligt.
Indien één van de gezinsleden op de peildatum geen recht op
langdurigheidtoeslag heeft, is voor de overige rechthebbende
gezinsleden de langdurigheidtoeslag gelijk aan de hoogte die
voor de aldus ontstane situatie geldt, dit kan ook betekenen de
voor hem geldende norm als alleenstaande of alleenstaande
ouder.
Voor de berekening van de hoogte van de langdurigheidtoeslag van
het nieuwe jaar wordt gebruik gemaakt van het normniveau van
januari van het jaar daaraan voorafgaand.
HOOFDSTUK 2
Artikel 6
Hoogte van de langdurigheidtoeslag
Onderdeel van Verordening Langdurigheidstoeslag 2012