Burgemeester en wethouders kunnen op een daartoe strekkend verzoek
een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen
of op parkeerapparatuurplaatsen.
Een vergunning kan worden verleend aan de eigenaar of houder van een
motorvoertuig wanneer deze:
woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door
vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig
zijn, dan wel
een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar
belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te
gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en die kan
aantonen dat het in het belang van diens beroeps- of
bedrijfsuitoefening noodzakelijk in dat gebied een motorvoertuig te
parkeren.
De eigenaar of houder van een motorvoertuig die voldoet aan beide in
het tweede lid gestelde voorwaarden wordt, voor wat betreft de
eerste aangevraagde vergunning, geacht te beantwoorden aan de onder
lid 2 onder a genoemde voorwaarde.
Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen een
vergunning ook één van de in tweede lid genoemde voorwaarden.
Een vergunning wordt geweigerd wanneer de aanvrager woont c.q. werkt
in een gebouw of gebouwencomplex, waartoe parkeergelegenheid behoort
in een omvang, die strookt met de ter zake geldende gemeentelijke
richtlijnen.
In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders ten gunste
van de aanvrager afwijken van het gestelde in lid 5.
Aan de vergunning kunnen zowel beperkingen worden verbonden met
betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking
tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is.
Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning ook andere
voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en
beperkingen mogen alleen strekken tot bescherming van het belang van
een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.