De verordening verstaat onder:
beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid;
inspraak: het bieden van de formele mogelijkheid aan ingezetenen en belanghebbenden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te maken;
inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt gegeven;
participatie: het in een zo vroeg mogelijk stadium betrekken van doelgroepen (burgers, instellingen, bedrijven, en dergelijke) bij beleidsvoorbereiding, -vaststelling, - uitvoering of -evaluatie;
randvoorwaarden: aan de participatie ten grondslag liggende feiten, waarop het bestuursorgaan geen invloed heeft dan wel door het bestuursorgaan aan participatie gestelde kaders;
informeren: politiek en bestuur bepalen zelf de agenda voor besluitvorming en houden betrokkenen hiervan op de hoogte. Er is geen ruimte voor inbreng;
raadplegen: er is in de participatieprocedure ruimte om meningen en opvattingen te laten horen;
adviseren: er is in de participatieprocedure gelegenheid om oplossingen aan te dragen. De mening van de participanten speelt een grote rol bij de ontwikkeling van beleid en projecten;
coproduceren: in de participatieprocedure hebben alle betrokkenen samen de touwtjes in handen. De partijen zoeken samen met de gemeente naar oplossingen.
meebeslissen: politiek en bestuur laten de ontwikkeling van en de besluitvorming over het beleid over aan de betrokkenen. Het ambtelijk apparaat vervult hierbij een adviserende rol. De politiek neemt de resultaten over, na toetsing aan vooraf gestelde randvoorwaarden.
Hoofdstuk 1
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Inspraak- en participatieverordening Buren