Naar hoofdinhoud
1. De zittingsperiode van een lid, de voorzitter en hun plaatsvervangers eindigt in ieder geval aan het einde van de zittingsperiode van de raad. 2. De zittingsperiode van een lid, zijnde niet-raadslid, eindigt van rechtswege na een daartoe strekkende mededeling van de fractievoorzitter aan de voorzitter van de raad. 3. De raad kan een lid ontslaan indien hij/zij niet meer voldoet aan de in artikel 55 onder lid 5 genoemde eisen. De raad draagt de uitvoering hiervan op aan de voorzitter van de raad (beslissingsmandaat).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel