Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Paragraaf 2.

Artikel 15.

Spreekrecht burgers

Onderdeel van Verordening op de raadscommissies 2010

1.. Burgers hebben spreekrecht. Een burger kan het woord voeren in de vergadering over zijn zienswijze ten aanzien van een geagendeerd onderwerp. 2.. Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit driemaal vierentwintig uur  voor aanvang van de vergadering aan de commissiesecretaris. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer en het agendapunt, waarover hij het woord wil voeren. 4.. Op verzoeken om het woord te mogen voeren, welke zijn ingediend na het in het eerste lid bedoelde tijdstip beslist de raadscommissie op voorstel van de voorzitter. 4.. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering. 5.. De inspreker voert maximaal vijf minuten het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. 6.. De voorzitter kan de inspreker het woord ontnemen indien naar zijn oordeel het betoog geen of onvoldoende betrekking heeft op het aan de orde zijnde onderwerp. 7.. Nadat de inspreker aan het woord is geweest, wordt de raadscommissie in de gelegenheid gesteld om informatieve vragen te stellen aan de inspreker. De inspreker krijgt de gelegenheid om de vragen te beantwoorden. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers van de vergadering. 8.. Voorstellen, waarover de raad in zijn eerstvolgende vergadering een besluit moet nemen en waarover iemand met inachtneming van het bepaalde in het  eerste en tweede lid het woord wil voeren, worden in de vergadering als eerste aan de orde gesteld. Andere agendapunten ten aanzien waarvan met inachtneming van het bepaalde in het eerste en tweede lid spreektijd is gevraagd, worden aan de orde gesteld onmiddellijk nadat de overige voorstellen waarover de raad in zijn eerstvolgende vergadering een besluit moet nemen zijn behandeld.

Rechtspraak bij dit artikel