Naar hoofdinhoud

Artikel 2.

Artikel 2.

Onderdeel van Algemeen Mandaatbesluit Leudal 2007

Ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheden opgenomen in het bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte Algemeen mandaatoverzicht Leudal 2007 gelden de volgende bepalingen: mandaat wordt door het bestuursorgaan verleend aan de secretaris, afdelingshoofden, overeenkomstig hetgeen in het Algemeen mandaatoverzicht Leudal 2007 is opgenomen; de secretaris en de afdelingshoofden kunnen ondermandaat verlenen aan een medewerker die belast is met de uit te voeren besluiten c.q. handelingen, tenzij dit in het Algemeen mandaatoverzicht Leudal 2007 is uitgesloten; ondermandaat wordt niet verleend dan na instemming van de mandaatgever; op ondermandaat zijn de bepalingen van dit besluit van overeenkomstige toepassing; bij afwezigheid van de (onder)mandaathouder wordt de bevoegdheid, indien noodzakelijk voor de voortgang van de werkzaamheden en gelet op de aard van de bevoegdheid, uitgeoefend door de medewerker die hem normaliter vervangt of kan vervangen; een en ander ter beoordeling van de direct-leidinggevende van de betrokken (onder)mandaathouder; het besluit c.q. de handeling moet passen binnen het bestaande beleid c.q. binnen de wettelijke regels; de met het te nemen besluit c.q. de te verrichten handeling gemoeide kosten moeten passen binnen het beschikbare budget; aan het besluit c.q. de handeling dient, voor zover van toepassing, een positief advies van een externe instantie ten grondslag liggen; omtrent het besluit c.q. de handeling dient, voor zover van toepassing, overeenstemming te zijn tussen de verschillende afdelingen; de genomen besluiten c.q. de verrichte handelingen dienen, voorzover dit in het Algemeen mandaatoverzicht Leudal 2007 is opgenomen, periodiek ter kennis te worden gebracht van het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan; omtrent de vorm en de frequentie maakt de (onder)mandaathouder afspraken met zijn direct-leidinggevende; de genomen besluiten c.q. verrichte handelingen met betrekking tot een bevoegdheid waarvoor een bepaald budget is toegekend dienen periodiek ter kennis te worden gebracht van het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan; omtrent de vorm en de frequentie maakt de (onder)mandaathouder afspraken met zijn direct-leidinggevende; de portefeuillehouder neemt de beslissing indien: de portefeuillehouder dit wenselijk of noodzakelijk acht; er bij de voorbereiding zienswijzen kenbaar zijn gemaakt c.q. bedenkingen zijn ingebracht m.b.t. beleidsgevoelige onderwerpen; het een negatieve beslissing betreft m.b.t. beleidsgevoelige onderwerpen; er wordt afgeweken van een bij de voorbereiding ingewonnen al dan niet wettelijk verplicht voorgeschreven advies; indien de portefeuillehouder de beslissing heeft genomen ondertekent de (onder)mandaathouder de beslissing namens hem; het bestuursorgaan neemt de beslissing indien: het bestuursorgaan dit wenselijk of noodzakelijk acht; de gemandateerde bevoegdheid: grote politieke of maatschappelijke gevolgen kan hebben; niet kan plaatsvinden binnen het beschikbare budget; naar verwachting strijdigheid oplevert met het op andere afdelingen gevoerde beleid; indien het bestuursorgaan de beslissing heeft genomen kan de (onder)mandaathouder de beslissing namens hem ondertekenen; de secretaris kan, voorzover hij dat wenst, aangeven welke aan medewerkers gemandateerde besluiten c.q. handelingen hij periodiek ter kennis wil hebben en in welke vorm.

Rechtspraak bij dit artikel