Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 43.

Vragenhalfuur.

Onderdeel van Reglement van Orde van de Raad

1.. Ieder lid heeft het recht om tijdens het vragenhalfuur aan het begin van de raadsvergadering mondeling één of meer bondig geformuleerde vragen aan de burgemeester of het college te stellen over een onderwerp dat niet op de agenda voorkomt, maar wel spoedeisend en actueel is. 2.. Het lid dat tijdens het vragenhalfuur vragen wil stellen, doet daartoe een verzoek, onder vermelding van de te stellen vraag of vragen, schriftelijk bij de voorzitter, uiterlijk om 12.00 uur op de dag waarop de raadsvergadering wordt gehouden. 3.. De voorzitter kan na overleg met het presidium het verzoek afwijzen indien hij het onderwerp niet spoedeisend en actueel acht, of indien het onderwerp in de raadsvergadering op diezelfde dag aan de orde komt. 4.. De raad kan in een bijzonder geval voor het mondeling vragenhalfuur ook een ander tijdstip vaststellen. De voorzitter bepaalt dan het tijdstip waarop het onderwerp van de vragen bij hem dient te zijn aangemeld. 5.. Per vraag van een raadslid wordt een tijdsduur uitgetrokken voor de vraag en het antwoord van 5 minuten. De maximaal beschikbare tijdsduur voor mondelinge vragen en de antwoorden daarop in het kader van dit artikel bedraagt 30 minuten. De voorzitter kan in overleg met de raad aan het begin van de vergadering een andere tijdsduur voor het vragenhalfuur vaststellen. Vragen die niet binnen de vastgestelde tijdsduur behandeld kunnen worden, zullen door de verantwoordelijke wethouder worden beantwoord in de eerstvolgende vergadering van de commissie waar het onderwerp van de vraag in thuis hoort. 6.. Tijdens het vragenhalfuur worden interrupties toegelaten. 7.. Tijdens het vragenhalfuur kan geen verlof gevraagd worden tot het houden van een interpellatie, noch kunnen moties worden ingediend.

Rechtspraak bij dit artikel