Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten
staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is
voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van
personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op
binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande
terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet
ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;
houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een
voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een
motorrijtuig dat is ingeschreven in het krachtens de
Wegenverkeerswet 1994 (Stb. 1935, 554) aangehouden register van
opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam
het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het
parkeren in het register was ingeschreven;
parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, en hetgeen naar
maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt
verstaan.
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2011