1. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8 onder a vermelde voorziening in aanmerking komen, indien het voor deze persoon onmogelijk is om zelf een of meer huishoudelijke taken uit te voeren en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat kan oplossen, aangezien deze persoon:
a. aantoonbare beperkingen heeft op grond van ziekte of gebrek; of
b. problemen ondervindt bij de uitvoering van mantelzorg. 2. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8 onder b en c vermelde voorzieningen in aanmerking komen indien:
c. de in artikel 8, onder a genoemde voorziening onvoldoende tot een oplossing leidt; of
d. de in artikel 8, onder a genoemde voorziening niet beschikbaar is.