Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 11

Hoogte van de bestuurlijk boetes voor inburgeringsplichtigen

Onderdeel van De Verordening Wet inburgering gemeente Leiderdorp 2010

1. Het college legt een bestuurlijk boete op van 10% van de toepasselijke bijstandsnorm of inkomensvoorzieningsnorm voor een alleenstaande, inclusief de maximale gemeentelijke toeslag op grond van de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren, indien de inburgeringsplichtige, of de persoon ten aanzien van wie het college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is, geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de wet. 2. Het college legt een bestuurlijk boete op van 20% van de toepasselijke bijstandsnorm of inkomensvoorzieningsnorm voor een alleenstaande, inclusief de maximale gemeentelijke toeslag op grond van de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren , indien de inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde voorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet of de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, niet of niet behoorlijk nakomt. 3. Het college legt een bestuurlijke boete op van 50% van de toepasselijke bijstandsnorm of inkomensvoorzieningsnorm voor een alleenstaande, inclusief de maximale gemeentelijke toeslag op grond van de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren, indien de inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel a en b, van de wet verlengde termijn het inburgeringsexamen, Staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II of het examen op het niveau Mbo 1 of Mbo 2, heeft behaald. 4. De boete als bedoeld in het eerste tot en met het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid van de gedraging en de persoonlijke omstandigheden van de inburgeringsplichtige. 5. Bij de toepassing van eerste tot en met derde lid neemt het college de artikelen 36, 37 en 44 van de wet, titel 5.4 Bestuurlijke boete en titel 4.4 Bestuursrechtelijke geldschulden, met uitzondering van paragraaf 4.4.4.2 , van de Algemene wet bestuursrecht in acht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel