Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 20.

Maatwerk.

Onderdeel van Verzamelverordening WWB

1.. De WWB-, IOAW-, IOAZ- of WWIK-uitkering wordt verlaagd met een percentage van de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5 van de WWB dan wel de grondslag bedoeld in artikel 5 van de IOAW en de IOAZ of de uikering bedoeld in artikel 15 van de WWIK. Dit met een minimum van 5 procent oplopend tot maximaal 100% en waarbij per verwijtbare gedraging de afstand tussen minimum- en maximumverlaging 25% bedraagt (zogeheten bandbreedte). 2.. De langdurigheidstoeslag en de bijzondere bijstand worden niet verlaagd. 3.. De WWB-, IOAW-, IOAZ- of WWIK-uitkering wordt niet verlaagd, als: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, de aanvraag buiten behandeling wordt gelaten, door het niet (volledig) nakomen van de inlichtingen- of medewerkingsverplichting een reeds eerder toegekende uitkering is of wordt beëindigd (omdat het recht op uitkering niet langer kan worden vastgesteld) of het niet (volledig) nakomen van deze verplichtingen niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. 4.. De WWB-, IOAW-, IOAZ- of WWIK-uitkering wordt ver-laagd voor de duur van één maand, tenzij sprake is van: samenloop van het niet nakomen van verplichtingen, waarbij de hoogte en duur van de verlaging wordt vastgesteld op het zwaarste verwijtbare gedrag; recidive (het binnen twaalf maanden na het verlagen van een uitkering opnieuw niet nakomen van verplichtingen), waarbij de duur van de verlaging wordt verdubbeld; verwijtbaar gedrag waarvoor in deze verordening een afwijkende duur is vastgesteld. 5.. In samenhang met het armoedebeleid wordt afgezien van het volledig (100%) verlagen van de WWB-, IOAW-, IOAZ- of WWIK-uitkering en volstaan met een 50% verlaging met een verdubbeling van de duur van de verlaging, maar niet als het betreft het weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid. 6.. Het verlagen van de WWB-, IOAW-, IOAZ- of WWIK-uitkering gaat in op de eerste dag van de kalender-maand die volgt op de maand waarin het besluit bekend is gemaakt, maar niet als het betreft: een besluit op een aanvraag of het schenden van de informatieverplichting en de belanghebbende redelijkerwijs kon begrijpen dat hij teveel of ten onrechte uitkering ontving. In de situatie onder a en b genoemd, werkt het verlagen van de WWB-, IOAW-, IOAZ- of WWIK-uitkering terug tot de datum van aanvraag dan wel de dag waarop het verzuim betrekking heeft. 7.. Het besluit tot het verlagen van de WWB-, IOAW-, IOAZ- of WWIK-uitkering vermeldt in ieder geval de reden, duur en hoogte van de verlaging en de redenen om af te wijken van het minimumpercentage binnen een vast-gestelde bandbreedte. 8.. Voordat de WWB-, IOAW-, IOAZ- of WWIK-uitkering wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, maar niet als: de vereiste spoed zich daartegen verzet, de belanghebbende zijn zienswijze al eerder kenbaar heeft gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, binnen de gestelde termijn niet is voldaan aan de inlichtingenverplichting of het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaar-heid.

Rechtspraak bij dit artikel