De arbeids- en re-integratieverplichting zijn omschreven met het oog op:
het vergroten van de participatie bij een grote afstand
tot de arbeidsmarkt,
het verlenen van een ontheffing voor één of beide
verplichtingen,
de koppeling met het recht op vakantie met behoud van uitkering. Deze is voor uitkeringsgerechtigden tot 65 jaar gesteld op 4 weken. Voor 65-plussers en bij ontheffing van beide verplichtingen is (nu nog) 13 weken vakantie met behoud van uitkering toegestaan.
Het beginsel ‘iedereen participeert (doet mee)’ is uitgewerkt in een participatiepiramide, die de werk-gelegenheidsladder vervangt. De piramide bevestigt beter het beeld, dat mensen in de bijstand primair worden toegeleid naar werk, bij voorkeur door werk, en dat de uitkering tijdelijk van aard is. De lat is hoog gelegd, maar niet voor iedereen even hoog. Er is sprake van participatie 'naar vermogen': iedereen stapt in op de laag die men aankan.
De participatiepiramide is opgebouwd uit:
een (brede, solide) basislaag voor regulier werk, zelfstandig ondernemerschap, onbeloonde arbeid gericht op inschakeling in de arbeid en tijdelijk gesubsidieerd werk;
een middenlaag voor structureel gesubsidieerd werk;
een toplaag voor maatschappelijk zinvolle activiteiten als betaald werk niet in beeld is.
De basislaag drukt de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan uit. Het op eigen benen kunnen staan, los van de overheid, door het verrichten van betaald regulier werk, werk als zelfstandig ondernemer, door tijdelijk gesubsidieerde arbeid of door sociale activering gericht op inschakeling in onbeloonde (additionele) arbeid. Bij het invullen van de onbeloonde arbeid wordt aansluiting gezocht bij de uitgangspunten van het wetsvoorstel over de participatiebanen. De basislaag is bestemd voor mensen met een arbeids- en/of re-integratieverplichting gericht op het verkrijgen van uiteindelijk regulier betaald werk.
De middenlaag heeft betrekking op participatie door en naar structureel gesubsidieerde arbeid. Deze voorziening is bestemd voor mensen met structurele functiebeperkingen die daardoor belemmerd worden in het uitvoeren of verkrijgen van regulier betaald werk of daarop gerichte opleidingen. De middenlaag is voor mensen met een arbeids- en/of re-integratieverplichting gericht op het verkrijgen van structureel gesubsidieerd werk. De activiteit op deze middenlaag heeft raakvlak met de per 2008 gemoderniseerde Wsw.
De toplaag is bestemd voor personen met zodanige belemmeringen richting betaalde of gesubsidieerde arbeid of daarop gerichte onbeloonde werkvormen waarvoor het perspectief op die arbeid vooralsnog ontbreekt. Als regel zijn deze personen ontheven van de arbeids- en re-integratieverplichting. Ook zij moeten kunnen participeren in de samenleving op een manier die past bij hun capaciteiten, vaardigheden en mogelijkheden.
Zij zijn, als tussendoel, aangewezen op sociale activering in de vorm van zelfstandige maatschappelijk participatie (dus op participatie zonder externe begeleiding). Deze participatie verloopt via onbeloonde arbeid in de vorm van vrijwilligerswerk (voor een sportvereniging of voor de leefbaarheid van de buurt), mantelzorg of het op eigen kracht deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt. Het verhogen van de laatstgenoemde vorm van participatie staat mede in nauwe verbinding met het armoedebeleid en het WMO-beleid. Het verhogen van de zelfstandige maat-schappelijke participatie levert een waardevolle bijdrage aan de samenleving.
Flankerende voorzieningen: schuldhulpverlening en kinderopvang zijn aan te duiden als flankerende voor-zieningen. Dit omdat ze zijn in te zetten voor de gehele piramide (alle drie de lagen). Deze voorzieningen zijn veelal gericht op het voorkomen of wegnemen van belemmeringen tot participatie (het door iedereen meedoen naar vermogen). De opsomming van de flankerende voorzieningen is niet beperkend bedoeld.
Mantelzorg: de omschrijving sluit aan op de definitie uit de Wet op de maatschappelijke ondersteuning. Het moet gaan om het bieden van zorg bij hulpbehoevendheid van fysieke, psychische en/of sociale aard. Van mantelzorg is zonder meer sprake bij ontvangst van het zogeheten mantelzorg-compliment, bij zorgvragers met een meervoudige handicap, dementie of ernstige psychische problemen. Deze opsomming is niet beperkend. Van langdurige mantelzorg is sprake als meer dan drie maanden zorg wordt verleend. Of werkelijk mantelzorg wordt verleend, is mede vast te stellen uit de indicatie voor AWBZ-zorg --ook buiten een AWBZ-instelling-- van het Centrum Indicatie-stelling Zorg, het Bureau Jeugdzorg voor jeugdigen met psychiatrische problematiek, de Wmo-beschikking of een advies van bijv. de Stichting Mantelzorg Midden Brabant.
De werk-voorop-benadering: dit is de opvolger van de sluitende aanpak. Binnen deze benadering worden belanghebbenden zo snel mogelijk na het inschrijven als werkzoekende aan het werk gezet voor bepaalde tijd in voorzieningen met betaald werken dan wel werken met behoud van uitkering. In de werk-voorop-benadering zit begeleiding op de werkplek en ruimte voor solliciteren inbegrepen. De werk-voorop-benadering heeft ook een diagnostische functie. Immers vanuit de werksituatie is goed te onderzoeken welke mogelijkheden en beperkingen iemand heeft. Verder heeft de werk-voorop-benadering een poortwachtersfunctie. Ervaring wijst uit dat de werk-voorop-benadering voor een deel van de bijstandsaanvragers reden is om de aanvraag zelf in te trekken of dat de aanvraag buiten behandeling moet worden gelaten omdat ze niet komen opdagen bij afspraken of helemaal niet reageren op de oproep voor de werk-voorop-benadering.
Het werken met behoud van uitkering wordt ingevuld naar de ministeriële richtlijn over aard en duur van die banen (Verzamelbrief SoZaWe van 10-12-2003). Die richtlijn schrijft voor dat er bij 'werken met behoud uitkering' geen situatie mag ontstaan die vergelijkbaar is met een reguliere arbeidsovereenkomst. Dit door te zorgen voor een component scholing/training of het formuleren van leerdoelen aangevuld met afspraken over arbeidstijden en/of bemiddelingsactiviteiten.
Nazorg: ook als een klant eenmaal actief is, stopt de ondersteuning en begeleiding niet. Nazorg is een onder-deel van de polis en is er op gericht om een uitstromer duurzaam actief te houden (terugval in de bijstand voorkomen/beperken). Nazorg omvat zo nodig ook het aanscherpen van de beroepsvaardigheden en (korte) beroepsopleidingen waarvoor geen aanspraak kan worden gemaakt op een tegemoetkoming van de werkgever (sector of branche) of een voorliggende voorziening anderszins (tegemoetkoming studiekosten). Het ondersteunen van een eenmaal actieve klant is ook gericht op het voorkomen van (een) armoede(val). Hier ligt een verbinding met het te voeren lokaal armoedebeleid.
Duurzaam in relatie tot uitstroom is niet beperkt tot uitstroom door het aanvaarden van betaald werk. Het ziet ook op uitstroom door het gaan volgen van een opleiding met studiefinanciering (basisbeurs levensonderhoud). Een zodanige uitstroom draagt immers bij aan het beheersen van het volume in de bijstand (het realiseren van lang-durige/duurzame uitstroom). Duurzame uitstroom is afhankelijk van zowel economische factoren (vraag en aanbod) als in de persoon gelegen factoren. Duurzame uitstroom kan ook betrekking hebben op het als een keten aan elkaar voegen van opvolgende tijdelijke dienst-verbanden of uitzendarbeid. Het streven naar duurzame uitstroom moet herhaalde instroom in de bijstand van zogeheten draaideurklanten beperken.
Het verband tussen de werk-voorop-benadering, algemeen geaccepteerde arbeid (inclusief uitzendarbeid) en duur-zame uitstroom is als volgt. De werk-voorop-benadering is de opvolger van de sluitende aanpak. Binnen de werk-voorop-benadering wordt, in tegenstelling tot de sluitende aanpak, niet gewacht met het aanbieden van een voor-ziening tot één jaar als werkzoekende is verstreken. De werk-voorop-benadering is een voorziening in de vorm van tijdelijk betaald gesubsidieerd werk of onbeloonde arbeid die zo spoedig mogelijk na het indienen van een aanvraag voor bijstand wordt aangeboden. Deze voorziening is gericht op het bevorderen van versnelde en duurzame uitstroom uit de bijstand. Het opdoen van werkervaring vergroot immers de kans op het verkrijgen van betaald regulier werk. Dus op arbeid waarbij géén ondersteuning of voorziening gericht op arbeidsinschakeling meer nodig is. Hiermee is aangegeven dat het tijdelijk gesubsidieerd werk als voorziening binnen de werk-voorop-benadering geen einddoel kan zijn. Uit de toelichting op de omschrijving van het begrip werk-voorop-benadering blijkt voorts, dat deze voorziening nadrukkelijk ook een diagnostische functie en een poortwachtersfunctie heeft.
Tijdelijk gesubsidieerd werk binnen de werk-voorop-benadering en regulier betaald werk moeten betrekking hebben op algemeen geaccepteerde arbeid. Hiermee wordt bedoeld arbeid die algemeen maatschappelijk aanvaard is. Hiermee zijn uitgesloten werkzaamheden die niet algemeen geaccepteerd zijn, die ingaan tegen de integriteit van de persoon of die gewetensbezwaren oproepen. De arbeid die wordt aangeboden hoeft niet beperkt te blijven tot de arbeid die gangbaar is voor de betrokken persoon, omdat bijvoorbeeld die arbeid in het verleden is verricht en daarmee wellicht meer affiniteit bestaat dan met de aangeboden arbeid. Er is nadrukkelijk afscheid genomen van het oude begrip 'passende arbeid'. Uitgangspunt van de WWB is dat de weg naar werk zo kort mogelijk dient te zijn. Gelet op het vangnetkarakter van de WWB dient elke vorm van arbeid geaccepteerd te worden. Volgens de memorie van toelichting op de WWB kunnen door de gemeente of door de klant geen eisen gesteld worden aan de aansluiting van de arbeid aan het opleidingsniveau, eerder opgedane werkervaring en beloningsniveau. Onder algemeen geaccepteerde arbeid wordt eveneens verstaan alle vormen van gesubsidieerde arbeid, maar niet de dienstbetrekkingen in het kader van de Wet sociale werk-voorziening. Hiervoor gelden de voorwaarden van die wet.
De ondersteuning en het aanbieden van een voorziening zijn gericht op het verkrijgen van duurzaam regulier werk. Duurzaam wil zeggen dat de ondersteuning en voorziening bij voorkeur moeten bijdragen aan het voorkomen van terugval in de uitkering binnen een half jaar na uitstroom of het aanvaarden van regulier werk.
In de toelichting op de WWB staat dat ook arbeid van tijdelijke aard geaccepteerd dient te worden. Hiermee vallen tijdelijk gesubsidieerd werk en regulier betaald werk in de vorm van uitzendarbeid of seizoenarbeid binnen de reikwijdte van het begrip algemeen geaccepteerde arbeid. Door het verbinden van elkaar opvolgende, tijdelijke arbeid is duurzame arbeid en daarmee duurzame uitstroom uit de bijstand te realiseren. Vanuit deze optiek draagt ook de werk-voorop-benadering bij aan het duurzaam aan het werk helpen van belanghebbenden en aan het duurzame uitstromen uit de bijstand. Deze zienswijze past binnen de toenemende flexibilisering van de arbeid.