Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1.1

Regels rond verstrekking en verantwoording

Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Oost Gelre 2011

1. Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager. 2. Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien: a. het een vervoersvoorziening betreft waar een collectief vervoerssysteem in kan voorzien; b. op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien: 1. de aanvrager die verzoekt in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget over onvoldoende organisatie-, regelvermogen en verantwoordelijkheidsbesef beschikt; 2. de aanvrager niet in staat is de voorzieningen bij een leverancier uit te kiezen, aan te kopen en zorg te dragen dat de voorziening gedurende de looptijd van het persoonsgebonden budget in goede staat in gebruik kan blijven; 3. er sprake is van grote financiële problemen bij de aanvrager tenzij op aanvrager financieel toezicht wordt uitgeoefend door bijvoorbeeld het algemeen maatschappelijk werk of de Stadsbank Oost Nederland; 4. eerder bij controle is gebleken, dat het persoonsgebonden budget is aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze was verstrekt. c. op grond van de progressiviteit van het ziektebeeld de aangevraagde voorziening zo snel weer door een aangepaste voorziening vervangen dient te worden dat deze verstrekking zich daardoor niet leent voor een persoonsgebonden budget. 3. Woonvoorzieningen die uitsluitend in natura kunnen worden verstrekt zijn: mobiele tilliften (inclusief staliften), losse douchestoelen, douchebrancards, toiletstoelen, badliften en transferhulpmiddelen, tenzij de kosten van de betreffende woonvoorziening minder bedragen dan € 500,-. 4. Sportrolstoel: de regels rond verstrekking van een sportrolstoel zijn nu opgenomen in artikel 6.2. van dit besluit. 5. De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de budgethouder aan het college vindt plaats na afloop van de verstrekking dan wel na afloop van enig kalenderjaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel