Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Toeslag voor een alleenstaande van 23 jaar en ouder en de alleenstaande ouder van 21- 65 jaar

Onderdeel van Toeslagenverordening wet werk en bijstand

1. Een alleenstaande van 23 tot 65 jaar (of een alleenstaande ouder van 21 tot 65 jaar) heeft recht op een toeslag van 20 % in de volgende situaties: (Hij/zij is in onderstaande situaties gelijk aan eenoudergezin). a.hij/zij alleen een woning bewoont en hij/zij voor die woning woonkosten verschuldigd is; b.hij/zij onderhuurder of medebewoner is op commerciële basis is en hij/zij niet is een bloedverwant in de eerste graad van de hoofdbewoner; c. hij/zij aantoont dat er ondanks dat er in zijn woning 1 persoon of meer eigen kinderen van 21 jaar en ouder/anderen hun hoofdverblijf hebben dat de voor zijn rekening blijvende woonlasten hoger zijn dan 16 % van het netto minimumloon; d.de noodzakelijke kosten weliswaar kunnen worden gedeeld met een ander die in zijn woning zijn hoofdverblijf heeft maar deze ander een bloedverwant in de eerste graad is en de belanghebbende zelf bloedverwant in de eerste of tweede graad is en de belanghebbende zelf of de ander kan worden aangemerkt als een verzorgingsbehoevende als bedoeld in artikel 1 lid f van deze verordening; e. de belanghebbende de woning bewoont met 1 of meer commerciële onderhuurders of kostgangers. Inkomsten: De daaruit voortvloeiende lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan worden als inkomen in aanmerking genomen; • en als het gaat om onderhuur, bepaald op 10% van het netto minimumloon per onderhuurder; • en als het gaat om het verstrekken van kost en inwoning bepaald op 16% van het minimumloon per kostganger en nooit meer dan totaal 25%. • Bij aanwezigheid van 3 of meer kostgangers of onderhuurders is er sprake van een pensionbedrijf dan wel een kamerverhuurbedrijf. Beoordeling van de noodzaak tot bijstandverlening zal plaats moeten vinden op basis van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. 2. Een alleenstaande van 23 tot 65 jaar (of eenoudergezin van 21-65 jaar) heeft een toeslag van 10% als: - hij geen gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3 van de WWB, maar lagere algemene kosten heeft als gevolg van het kunnen delen met een ander - de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld met een ander die in de woning zijn hoofdverblijf heeft, indien door die ander kan worden beschikt over een inkomen dat gelijk is aan of hoger dan 40% van het minimumloon.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel