1. Voor uitbetaling van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 5, vindt éénmaal per jaar een afrekening plaats op declaratiebasis. Hiertoe verstrekt de instelling waaraan tegemoetkoming is toegekend binnen twee maanden na afloop van het schooljaar aan het college een opgave van:
a. de naam van degene(n) die belast is (zijn) geweest met het geven van godsdienst- of levensbeschouwelijk onderwijs;
b. de dagen waarop en de uren gedurende welke de lessen werden gegeven;
c. het feitelijke aantal groepen waaraan de lessen werden gegeven.
2. De opgave zoals bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een verklaring van de directeur van de school dat het onderwijs daadwerkelijk is gegeven.
3. De tegemoetkoming mag middellijk noch onmiddellijk aan een school ten goede komen. Indien hiermee in strijd wordt gehandeld, wordt de tegemoetkoming ingetrokken en wordt tot terugvordering over het laatst verlopen schooljaar overgegaan.
Artikel 7
Vaststelling
Onderdeel van Verordening subsidiëring godsdienstonderwijs en/of levensbeschouwelijk onderwijs 2007