1. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of
een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de
publieke functie daarvan. 2. Het verbod genoemd in lid 1 geldt
niet voor het plaatsen van obstakels ten behoeve van
(bouw)werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang
zij feitelijke betekenis hebben, mits:
a. van het plaatsen ervan 2 weken van tevoren schriftelijk
melding is gedaan aan het college op een hiervoor vastgesteld
meldingsformulier;
b. het college niet binnen twee weken na ontvangst van die
melding van enig bezwaar heeft doen blijken. 3. Het college kan
vrijstelling verlenen of een meldingsplicht invoeren voor door
hem aan te wijzen categorieën obstakels. 4. Het in het eerste
lid bepaalde is niet van toepassing op:
a. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien ze geen gevaar of
hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor
commerciële doeleinden worden gebruikt;
b. zonneschermen, voorzover ze zijn aangebracht boven het voor
voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voorzover:
- elk onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven dat gedeelte
bevindt, en
- elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op
meer dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte
van de weg bevindt, en
- elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder
dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;
c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze
kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of
lossen ervan. Degene die de werkzaamheden verricht of doet
verrichten draagt er zorg voor dat onmiddellijk na het
beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de
voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg
daarvan gereinigd is;
d. voertuigen;
e. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
geopenbaard;
f. evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1;
g. terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.2, zesde lid;
h. standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3. 5. Het is
verboden op, aan, over of boven de weg voorwerpen of stoffen
waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen,
aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of
vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade
toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid
van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
danwel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en
onderhoud van de weg. 6. Voor de toepassing van het derde lid,
onder c, wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de
Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 7. Een vergunning
bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:
a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan
vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
welstand;
c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast
voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
8. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de
Wegenverkeerswet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de
Gelderse Wegenverordening.
b. De weigeringsgrond van het zesde lid, onder c, geldt niet
voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
milieubeheer.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 1 › Paragraaf 5
Artikel 2.1.5.1
Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Oost Gelre 2008