1. Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar
het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van
de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de
rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven,
verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen
termijn:
a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;
b. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;
c. of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of
zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt
voorkomen. 2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met
uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een
doorsnede kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of
te vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit
verbod.
Hoofdstuk 4 › Afdeling 5
Artikel 4.5.8
Bestrijding iepziekte
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Oost Gelre 2008