De verboden, vervat in artikel 2, eerste lid, onder b van de wet,
gelden niet op ten hoogste twaalf door het college van burgemeester
en wethouders aan te wijzen, zon- en feestdagen per
kalenderjaar.
De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geldt voor elk deel van de
gemeente afzonderlijk.
Alvorens tot aanwijzing, zoals bedoeld in het eerste lid, over te
gaan worden de ondernemersverenigingen, werkzaam in het betreffende
deel van de gemeente, in de gelegenheid gesteld hun zienswijze
kenbaar te maken.
Maximaal tien van de in het eerste lid genoemde dagen kunnen door
het college van burgemeester jaarlijks, voorafgaande aan het
kalenderjaar waarin zij zullen gelden, worden aangewezen. Bij deze
aanwijzing wordt aangegeven voor welk deel van de gemeente deze
aanwijzing geldt.
Ingeval aanwijzing als in het vorig lid bedoeld heeft plaatsgehad,
kan het college van burgemeester en wethouders de resterende twee
dagen voor het betreffend deel van de gemeente aanwijzen op daartoe
binnengekomen verzoek en na overleg met de in het derde lid genoemde
ondernemersverenigingen.