Naar hoofdinhoud

Paragraaf 3

Artikel 3.3

Uitvoering van het onderzoek en rapportage

Onderdeel van Verordening rekenkamercommissie gemeente Raalte 2004

1.. De rekenkamercommissie is belast met en verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderzoek volgens de door haar vastgestelde onderzoeksopzet. 2.. De rekenkamercommissie beoordeelt of het wenselijk is de raad tussentijds te informeren. 3.. De rekenkamercommissie is bevoegd van alle leden van het gemeentebestuur en van alle ambtenaren de mondelinge en schriftelijke inlichtingen in te winnen die zij nodig heeft voor de uitvoering van het onderzoek. De rekenkamercommissie kan de bevoegdheid tot het inwinnen van inlichtingen mandateren aan de overige medewerkers die haar bij de uitvoering van haar taak terzijde staan. De leden van het gemeentebestuur en de ambtenaren van de gemeente zijn verplicht de gevraagde inlichtingen binnen de door de rekenkamercommissie gestelde termijn te verstrekken. 4.. De rekenkamercommissie vergadert in beslotenheid, haar rapporten zijn openbaar. Op grand van de belangen genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van Bestuur kan de rekenkamercommissie rapporten die aan de raad worden voorgelegd of gedeelten daarvan als geheim aanmerken. De leden van de rekenkamercommissie en degenen die ten behoeve van de rekenkamercommissie werkzaam zijn, zijn verplicht tot geheimhouding van al hetgeen hen in hun hoedanigheid van lid, respectievelijk medewerker ter kennis is gekomen. 5.. De rekenkamercommissie kan openbare informatieve vergaderingen beleggen. 6.. Indien ten behoeve van het verkrijgen van inlichtingen, leden van het gemeentebestuur of ambtenaren interviews worden afgenomen, wordt de geïnterviewde de gelegenheid gesteld om binnen een door de rekenkamer te stellen termijn die ten minste twee weken bedraagt, een reactie op het schriftelijke verslag van het interview aan de rekenkamercommissie kenbaar te maken. 7.. De rekeningcommissie stelt voor het ambtelijk wederhoor betrokken ambtenaren in de gelegenheid om binnen een door haar te stellen termijn, die ten minste twee weken bedraagt, hun zienswijze op het feitenonderzoek aan de rekenkamercommissie kenbaar te maken. Betrokkenen zijn degenen die zijn geïnterviewde, de gemeentesecretaris/algemeen directeur, de directeur bedrijfsvoering en het/de hoofd(en) van de betrokken beleidsafdeling(en). De rekenkamercommissie bepaalt zonodig wie verder als betrokkenen worden aangemerkt. 8.. De rekenkamercommissie stelt het college van B&W in de gelegenheid om voor een bestuurlijke reactie binnen een door haar te stellen termijn, die ten minste twee weken bedraagt, zijn zienswijze op het onderzoek, inclusief de conclusies en aanbevelingen, kenbaar te maken. Deze reactie wordt integraal opgenomen in het uiteindelijke rapport van de rekenkamercommissie. 9.. Na het ambtelijk wederhoor ten aanzien van de feiten (zie lid 7) en de bestuurlijke reactie (zie lid 8) formuleert de rekenkamercommissie haar nawoord, waarmee de onderzoeksrapportage definitief is. 10.. Na vaststelling door de rekenkamercommissie wordt dit definitieve onderzoeksrapport zo spoedig mogelijk aan de raad aangeboden. De raad bespreekt het onderzoeksrapport.

Rechtspraak bij dit artikel