Bij hun beslissing op aanvragen om bijdragen als bedoeld in artikel 2 houden burgemeester en wethouders in ieder geval rekening met:
de monumentale waarde van het pand;
de bouwtechnische toestand van het pand voor het treffen van de voorzieningen;
de stedebouwkundige waarde van het pand voor en na het treff'en van de voorzieningen;
het gebruik van het pand voor en na het treffen van de voorzieningen;
de prioriteit die het treffen van de voorzieningen heeft in het kader van de monumentenzorg, zulks mede afgewogen ten opzichte van andere aanvragen om bijdragen.